
Vier weken geleden bood ik het onderstaande artikel aan ter publicatie in het dagblad Trouw. De reactie van deze krant was dat men geen ruimte had voor dit artikel. Gelukkig is er dan nog altijd het internet en mijn eigen weblog daarop. Het lezersbereik is alleen ‘iets’ kleiner. Maar goed, beter iets dan niets.
Het begint met ‘Een yurt in Plaggenborg’, een verhaal dat ik enkele jaren geleden schreef voor een kerstverhalenwedstrijd van Trouw. Dit verhaal opent met een Oezbeekse familie, wachtend op de bus in een kaal en besneeuwd landschap, zojuist uitgezet uit de Vrijheids Beperkende Locatie in Ter Apel. Eelke en Douwien Roorda, een Groninger echtpaar met een groot hart, ontfermen zich over deze ontheemden en bereiden het meisje Lydia en haar naaste verwanten een gastvrije ontvangst in hun ‘huize Nooitgedagt’ in Plaggenborg.
Op zaterdag 4 december 2010 stond in Trouw onder de kop ‘Zijn wij radicalen?’ een portret van het Groninger echtpaar Eelke en Zwanny Visser uit Musselkanaal, dat sinds 2003 in hun ‘huize Plexat’ op straat gezette asielzoekers opvangt. Naar aanleiding van dit verhaal zocht ik contact met dit echtpaar. In een e-mail aan hen schreef ik: Afgelopen zaterdag las ik in de Trouw het portret dat van u beiden gemaakt is naar aanleiding van de discussie over het al dan niet strafbaar stellen van hulp aan illegalen. Al gelijk toen ik begon te lezen moest ik denken aan het kerstverhaal dat ik enkele jaren schreef voor de kerstverhalenwedstrijd van Trouw. Al lezend herkende ik steeds meer parallellen tussen wat ik toen schreef en het portret van u dat nu in Trouw is gepubliceerd. Dat was een vreemde gewaarwording. Na lezing dacht ik: “Die mensen moeten mijn verhaal lezen!” Vandaag heb ik uw website gevonden. En toen werd mijn verbazing nog groter. Onder de ‘knop’ “Bid voor Lydia” las ik het verhaal van het meisje Lydia. Waarom dit alles voor mij zo wonderbaarlijk is zult u wel merken als u mijn kerstverhaal “Een yurt in Plaggenborg” leest. Graag doe ik dat u hierbij toekomen.
Een dag later ontving ik een reactie van Eelke Visser, die begon met de woorden: Om eerlijk te zijn, heb ik op dit moment geen woorden voor een reactie op uw kerstverhaal. Ik geloof niet in het toeval. Ik geloof niet in het lot. Ik begrijp niet dat u reeds jaren geleden, met het schrijven van dit kerstverhaal, de naam van Lydia en ook mijn naam Eelke heeft gebruikt. Dat kan geen toeval zijn. Er zijn zo veel dingen in ons leven, waar ik geen verklaring voor heb.
De volgende e-mail van Eelke had als bijlage een dagtekst uit het boek ‘Wekker bliuwe’ van de Friese dominee Doede Wiersma. Eelke had de tekst naar het Nederlands vertaald en daardoor voor mij ontsloten. Ik werd getroffen door een citaat van de Duitse verzetsman Helmuth von Moltke, die in een afscheidsbrief aan zijn vrouw vanuit de gevangenis van Berlijn-Tegel schreef: Voor de oorlog dacht ik, dat geloof in God niet nodig was, om het nationaal-socialisme een halt toe te roepen of zelfs te overwinnen. Nu weet ik dat ik toen ongelijk had. Dat ik een totaal verkeerde inschatting gemaakt heb. Hoe groot het gevaar was, hoe zwaar de opoffering is, die van je gevraagd wordt, dat vergt veel meer van je, dan gewoon een paar principes. Dat vraagt een absoluut geborgen-zijn en een volkomen overtuiging.
Ik werd door dit citaat geraakt omdat het me zo deed denken aan Dietrich Bonhoeffer, de Duitse theoloog en martelaar. Bonhoeffer en Von Moltke hebben in dezelfde gevangenis gezeten, beiden omdat zij – tegenover het moorddadige naziregime – de kernwaarden van het Evangelie in praktijk brachten. Beiden hebben dat met de dood moeten bekopen. Maar wat nog het meest treffend is, is dat zij zich beiden gedragen wisten door het ‘geborgen’ zijn in God. Dit is door Bonhoeffer ontroerend verwoord in een nieuwjaarslied dat hij in de gevangenis dichtte en waarvan deze woorden het grafschrift van mijn vader werden: In goede machten liefderijk geborgen.
Mijn vader was al vroeg in zijn leven gegrepen door Bonhoeffer en diens geschriften. Daarin leek hij op de eerder door mij genoemde ds. Wiersma, van wie ik in een interview met hem las dat hij in 1962 het boek ‘Verzet en overgave’ van Bonhoeffer kocht en dat hij daarin de uitdaging vond om theologie te gaan studeren. Volgens hetzelfde interview kreeg hij in Friesland de bijnaam ‘Doede Buskus’, omdat hij net als de bekende ds. Buskus in zijn werk en preken altijd verwees naar recht en gerechtigheid. Ook daarin herken ik mijn vader, ook predikant, wiens columns in een kerkelijk tijdschrift ooit werden gebundeld en uitgegeven onder de naam ‘Paradijs der lage landen: visies op vreemdelingen en vreemdelingenbeleid’. Eén van de liederen die mijn vader tijdens zijn uitvaart heeft laten zingen was Gezang 440 uit het Liedboek voor de Kerken. In dit lied wordt de barmhartigheid van God bezongen: Het is het eeuwige erbarmen, dat mijn besef te boven gaat, het zijn de liefdevolle armen, het is zijn hart, dat openstaat. (…) Steeds vind ik daar opnieuw bereid oneindige barmhartigheid.
Oneindige barmhartigheid; het zijn woorden die een kernwaarde vertolken die haaks staat op opvattingen die in onze samenleving steeds meer aanhangers krijgen en die zich politiek vertalen in steun voor een partij als de PVV en in een regeringsbeleid dat barmhartigheid – bijvoorbeeld ten opzichte van asielzoekers en illegale medemensen – bepaald niet als uitgangspunt heeft. Overigens is dat laatste niet nieuw. In 1997, toen een Paars kabinet regeerde, schreef ik onder de kop ‘Hier worden handen in onschuld gewassen’ een ingezonden brief naar Trouw. Die brief opende met een citaat van minister-president Colijn, uitgesproken in 1939, kort na de Kristallnacht: Voor een aansporing tot meerdere hulpverlening met een beroep op naastenliefde of Christenplicht is naar het oordeel der regering geen plaats. (…) Zoals terecht wordt opgemerkt mogen rechtmatige belangen van het eigen volk, dat zelf in hoogst moeilijke omstandigheden verkeert, niet in het gedrang komen. In deze brief stelde ik met name de hypocrisie van de VVD aan de kaak. Die pleitte bij monde van toenmalig wetenschappelijk medewerker Geert Wilders weliswaar voor een streng Europees beleid ten opzichte van het mensenrechten schendende regime in Iran, maar vond ook dat hongerstakende Iraanse asielzoekers zonder pardon weer terug naar datzelfde Iran konden worden gestuurd.
Geert Wilders bracht een week geleden een bliksembezoek aan het Groningse Bourtange om steun te betuigen aan de Groningse kandidaten voor de Provinciale Statenverkiezingen. Wilders had met opzet voor dit vestingstadje gekozen, omdat hij dit een symbool van Groningse onverzettelijkheid vond. Symbolisch was de uitgekozen plaats zeker. Je zou het kunnen zien als ‘fort Nederland’, de samenleving die de PVV voor ogen staat; veilig achter de vestingwallen, de ophaalbrug opgetrokken, de kanonnen geladen voor iedereen van buiten die deze idylle bedreigt.
Op zo’n 5 km afstand van Bourtange ligt de buurtschap Plaggenborg, de plaats waar mijn kerstverhaal eindigt. In dat verhaal zegt Douwien, de vrouw des huizes, tegen het meisje Lydia: “Weet je Lydia, in het Hebreeuws, de taal van de Israëlieten, is het woord ‘baarmoeder’ een zusje van het woord ‘barmhartig’. En dat woord ‘barmhartig’ ken jij als islamitisch meisje vast wel. Want hoe begin jij een gebed?” Lydia kijkt Douwien verbaasd aan, maar reciteert dan zonder aarzeling: “Bismillah al-Rahmân al Rahîm” “In naam van God, de Barmhartige, de Erbarmer”, vertaalt Douwien. “Wist je dat God in de bijbel, ons heilige boek, ook ‘barmhartig’ genoemd wordt?” Zonder het antwoord af te wachten staat Douwien op en pakt een bijbel. Terwijl het stil wordt rond de tafel leest ze de lofzang van Maria, eindigend met: “…hij herinnert zich zijn barmhartigheid jegens Abraham en zijn nageslacht, tot in eeuwigheid.’
Ook vlakbij het vestingstadje Bourtange ligt Musselkanaal, waar een echtpaar woont dat het woord ‘barmhartigheid’ dagelijks in praktijk brengt. Zo’n twee weken geleden ontving ik weer een e-mail van Eelke Visser: Hoe het allemaal wel moet, dat weet ik ook niet. Het deed mij afgelopen week erg goed te zien, hoe Moslims en Christenen, hand in hand samen in Egypte aan het protesteren waren. Allemaal mensen van verschillende godsdiensten. Wel allemaal mensen, die van dezelfde God hun leven gekregen hebben. Ik heb deze week vaak gedacht aan de familie Ibrahim. Heb ik jullie gemaild, over dit tot het Christendom bekeerde gezin, dat een half jaar geleden door de IND teruggestuurd is naar Egypte? Zouden zij mee geprotesteerd hebben? Of zouden die 3 meisjes met hun moeder nog in de gevangenis zitten? We kunnen nu inderdaad nog maar één ding voor hen doen. En dat is bidden, dat ook zij in het nieuwe Egypte een goede toekomst tegemoet zullen gaan.
Jezus van Nazareth sprak 2000 geleden de Bergrede uit, waaronder de woorden: Gelukkig de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid ondervinden. Deze woorden hebben nog niets van hun kracht en waarde verloren. Gelukkig zijn er nog steeds mensen die zich daardoor laten leiden.